De Koninklijke Schouwburg: restauratie of renovatie ?
(bron: www.zichtlijnen.nl)
Renate Meijer
De Koninklijke Schouwburg in Den Haag is een eerbiedwaardig monument. De ingrijpende opknapbeurt die het theater dit jaar ondergaat moet zorgen dat deze nestor onder de Nederlandse theaters weer gezond wordt, klaar voor de eenentwintigste eeuw. Bij een dergelijke verbouwing hoort vanzelfsprekend een heftige discussie over wat er behouden moet worden en wat kan worden vernieuwd. Deze aflevering van de serie over de Haagse schouwburg schetst de discussie over restauratie versus renovatie tegen de achtergrond van de geschiedenis van het gebouw.
Ontstaan
Zoals bekend is de Koninklijke Schouwburg niet als theater gebouwd, maar als stadspaleisje voor prins Karel Christiaan van Nassau-Weilburg en zijn echtgenote prinses Caroline van Oranje-Nassau. Na hun huwelijk in 1760 kocht het vorstelijk paar een aantal panden aan het Voorhout. Zij gaven in 1766 architect Pieter de Swart opdracht om op de plaats van deze oude huizen een nieuwe residentie te bouwen. De Swart maakte een classicistisch ontwerp, dat een hoofdgebouw omvatte met een flinke vleugel links ervan. Het hoofdgebouw bestond uit twee naar voren springende bouwdelen met ertussen een halfronde cour, de huidige voorgevel van de schouwburg.
Drie jaar na de aanvang van de bouw besloot de jonge vorst te vertrekken uit Den Haag en met zijn vrouw naar zijn Duitse vorstendom terug te keren. In afwezigheid van de eigenaars werd het gebouw voltooid, maar zonder de zijvleugel. Karel Christiaan en Caroline hebben er nooit echt gewoond. Na de dood van de vorst in 1788 ging het paleisje van hand tot hand; het werd zelfs een tijdje gebruikt als kazerne.
In 1802 meldde zich een comité van vooraanstaande burgers bij het Bataafse Staatsbewind. Het groepje wenste het stadspaleisje om te bouwen tot een schouwburg. De theaterliefhebbers pachtten het paleisje voor 99 jaar en gaven architect J. van Duifhuys opdracht voor de verbouwing. Van Duifhuys liet de nauwelijks 30 jaar oude façade staan, maar schoof aan de achterkant de theaterzaal als een doos het gebouw in. Door de onregelmatige vorm van het grondstuk kwam de zaal a-centrisch van het hoofdgebouw te liggen.
Op 30 april 1804 ging het nieuwe theater open. Om uit te proberen of de constructie wel stevig genoeg was, marcheerde van te voren een regiment bepakte soldaten over de drie balkons. Van Duifhuys ontwierp een u-vormige theaterzaal met loges rondom. De loge du gouvernement, de latere koninklijke loge, bevond zich zoals gebruikelijk middenvoor. Met een coulissendecor voldeed het theater toneeltechnisch aan de op dat moment heersende eisen, maar over het publieksgedeelte waren de Hagenaars van meet af aan niet zo tevreden. De oude en de nieuwe bouwdelen sloten moeilijk op elkaar aan, waardoor de circulatie van het publiek moeizaam verliep.
Verbouwingen
Ruim een halve eeuw heeft het gebouw nog op deze manier gefunctioneerd. In de jaren vijftig werd de roep om veranderingen echter steeds sterker. Niet alleen was de samenstelling van het publiek gewijzigd - de middenklasse werd groter en eiste meer goedkope plaatsen - maar ook de gebruikers drongen aan op vernieuwing.
Vanaf het begin werd de Haagse schouwburg bespeeld door twee gezelschappen. De ene helft van de week was het theater het domein van een Franstalig opera- en balletgezelschap en de rest van de week speelde een Nederlandstalige groep er toneel. Het was vooral de Franse opera die om een modernere toneeluitrusting riep teneinde niet achter te raken bij de Franse operapraktijk.
In 1863 was het zover. De gemeente liet de Koninklijke Schouwburg ingrijpend verbouwen door stadsarchitect Van der Waeyen Pieterszen. Op alle punten werd actie ondernomen: de toneeltechnische voorzieningen werden gemoderniseerd, de orkestbak vergroot en de zaal grondig aangepakt. De theaterzaal kreeg bij deze verbouwing de huidige hoefijzervorm en daarmee de beroemde intimiteit en akoestiek. De balkons werden verhoogd en de loges verdwenen, op een koninklijke loge en een loge voor de stedelijke overheid na, die aan weerszijden van de toneelopening waren gelegen. De capaciteit van de zaal steeg van 800 naar 1000 plaatsen.
Toch waren al deze ingrepen niet voldoende. Al snel na de verbouwing deden zich opnieuw problemen voor. De indeling was er door de verbouwing niet helderder op geworden en dit maakte het gebouw brandgevaarlijk. Het achterstallig onderhoud stapelde zich op en verzwakte de schouwburg nog meer. In 1891 adviseerde de brandweer het gebouw te sluiten. Vervolgens laaide de zogenaamde schouwburg-quaestie op: een heftige discussie over nieuwbouw of restauratie die woedde in de jaren rond de eeuwwisseling. In een studie werd de Haagse schouwburg vergeleken met die in Amsterdam en Rotterdam. De gemeente onderzocht de mogelijkheden tot nieuwbouw en schreef een architectuurprijsvraag uit. Onder andere het bekende Weense architectenduo Fellner & Helmer, dat al talloze theaters in Duitsland had gebouwd, leverde een ontwerp in.
De twintigste eeuw
Toch besloot de Haagse gemeenteraad uiteindelijk uit zuinigheidsoverwegingen tot behoud en restauratie van het bestaande pand. De verbouwing werd in de jaren 1913-1914 uitgevoerd. Stadsarchitect J.J. Gort pelde het gebouw rondom de zaal leeg. Hij verwijderde de oude infrastructuur en bracht een gangen- en foyerstelsel aan dat de verschillende klassen strikt scheidde. Op alle verdiepingen kwamen vestiaires naast de zaal en werden de nooduitgangen en de sanitaire voorzieningen verbeterd. Ook in de zaal veranderde Gort het een en ander: meer toegangen tot de zaal en een nieuw stoelenplan verminderden het aantal zitplaatsen. Er kwam een nieuwe kroonluchter en de Haagse schilder Henricus Jansen voorzag het plafond van decoraties.
Om financiële redenen werd niet in één keer het hele gebouw aangepakt. De verbouwing van het toneelhuis vond pas in 1929 plaats. Bij deze ingreep werd het oude coulissendecor verwijderd en een moderne hoge toneeltoren neergezet. Ook kwam toen het draaitoneel van H.H. van Zeggeren in het theater. De schouwburg was trots op zijn hypermoderne nieuwe speeltje. Helaas was en bleef het apparaat het enige in zijn soort in Nederland, het is dan ook bedroevend weinig benut.
Na de verbouwing van 1913 was het theater zeker gedurende een halve eeuw weer bij de tijd. Zonder al te veel kleerscheuren overleefde de schouwburg de Duitse bezetting en de geallieerde bombardementen. In de jaren zestig en zeventig begon de onvrede echter weer de kop op te steken. De problemen zijn in juli al kort in Zichtlijnen geschetst. Zij zijn samen te vatten met de kernwoorden: achterstallig onderhoud, gebrekkige brandveiligheid en ontoegankelijkheid. Het theater was een doolhof, onveilig en wankel, en moest daarom in 1997 op last van de brandweer de deuren sluiten. Op dat moment had de schouwburgdirectie al een duidelijke visie op de toekomst van het gebouw klaar. In overleg met de betrokken partijen, de gemeente en Monumentenzorg, zijn de plannen verder uitgewerkt.
Behoud en vernieuwing
Bij de discussie over welke ingrepen al of niet geoorloofd zijn spelen verschillende, meestal tegenstrijdige, belangen een rol. In het ene geval prevaleren de eisen die de hedendaagse theaterpraktijk stelt. In het andere wegen historische motieven het zwaarst. Het is moeilijk een duidelijke scheidslijn te trekken. In ieder afzonderlijk geval moeten de belangen opnieuw tegen elkaar worden afgewogen. Monumentenzorg beschermt het monumentale beeld van het theater, maar heeft ook oog voor het feit dat het gebouw geschikt moet zijn voor de huidige theaterpraktijk. Verder valt de vraag te stellen wat nog oorspronkelijk en monumentaal is in een gebouw dat al zo vaak is vertimmerd. Over de hokkerige indeling uit 1913 is iedereen het eens: die mag worden weggebroken, maar hoe staat het bijvoorbeeld met decoraties uit datzelfde jaar?
Ook de volksgezondheid heeft een belangrijke rol gespeeld in de discussie over behoud of vernieuwing van bepaalde onderdelen van de Koninklijke Schouwburg. Bij een asbest-onderzoek begin 1997 kwam dit kankerverwekkende materiaal op talloze plekken naar boven. Niet alleen had men waardeloze scheidingswandjes van dit materiaal vervaardigd, maar er waren ook decoraties op geschilderd, die vervolgens werden verwijderd.
Uitgangspunt bij de verbouwing was het behoud van de bestaande theaterzaal. De unieke proporties, akoestiek en atmosfeer maken de Haagse schouwburg immers tot wat hij is. In de intimiteit van deze zaal is de typische subtiele Haagse speelstijl ontwikkeld. De zaal mag in essentie niet worden veranderd, op enkele belangrijke verbeteringen na (zie hiervoor Zichtlijnen 59, juli 1998). Wel was het vernieuwen van de technische installatie en de toneeltoren dringend noodzakelijk.
Een noodzakelijke ingreep was ook het aanbrengen van een brug voor de techniek in de zaal. Een gewone brug zou echter de plafondschildering van Henricus Jansen uit 1913 beschadigen. Bij deze kwestie kwamen de verschillende partijen tegenover elkaar te staan. De architect wilde de decoratie verwijderen om zijn handen vrij te hebben. Argument was dat de kwaliteit van de schildering te wensen over liet en dat deze net zo goed vervangen zou kunnen worden door iets moderns. Hier besliste Monumentenzorg echter anders. De Rijksdienst benadrukte de cultuurhistorische waarde van de schildering en de bijpassende luchter. De schildering en de kroonluchter dragen in hoge mate bij aan de grandeur van de schouwburg en vormen belangwekkende en kenmerkende scheppingen uit het eerste decennium van de twintigste eeuw; zij zijn volledig met het gebouw geïntegreerd terwijl akoestische hoedanigheden van de toneelzaal mede tot op deze argumenten lijken te kunnen worden herleid, aldus Monumentenzorg.
Een dergelijke beslissing heeft natuurlijk grote consequenties voor een architect, die daardoor op zoek moest naar een andere manier om het toneel vanuit de zaal te belichten. Het laatste nieuws op dit vlak is dat er waarschijnlijk een lichtbrug met beweegbare armen zal komen, die tijdens de voorstelling langs het plafond kunnen worden uitgeklapt.
Draaitoneel
Een andere keuze van Monumentenzorg die grote gevolgen had voor het ontwerp, was de beslissing om het oude draaitoneel op zijn plaats te laten. Toen het 15 meter brede gevaarte in 1929 werd geïnstalleerd, leek het dé oplossing te zijn voor een snelle wisseling van naturalistische decors. Dat de constructie toch weinig werd gebruikt had te maken met het feit dat geen enkel ander Nederlands theater over een draaitoneel beschikte, zodat reizende toneelgezelschappen decors meenamen die op de gebruikelijke manier konden worden gewisseld. Bovendien maakte het draaitoneel bij gebruik veel herrie en raakte het kamertjestoneel met zijn naturalistische decors in de jaren zestig definitief uit de mode.
In de huidige plannen voor de verbouwing van de schouwburg wordt de toneelvloer verhoogd. Daarmee verliest het draaitoneel contact met de vloer en wordt het apparaat onbruikbaar. Om deze reden drongen directie en architect erop aan dat dit anachronistische obstakel zou worden verwijderd. Op de plaats van het draaitoneel werden een vluchtgang en opslagruimte gepland. Toen echter bleek dat de vluchtgang kon worden verschoven, besliste Monumentenzorg dat de constructie alsnog in zijn geheel moest worden gespaard, vanwege haar unieke positie in de Nederlandse theatergeschiedenis. Helaas hoorde het afbreken en opslaan of elders opbouwen van deze Jules Vernerie niet tot de technische mogelijkheden, aangezien het ding met nagels aan elkaar is geklonken.
Hoewel voor de vluchtgang dus een alternatief werd gevonden, zat de schouwburg plotseling met een tekort aan opslagruimte. Voor een deel van de 240 m2 werd een oplossing gevonden op de zolders van het paleisje, maar het deel dat bij het toneel hoort, moet nog een plaats vinden. De enige oplossing was om een aanbouwtje in de tuin naast de schouwburg neer te zetten. Een dezer dagen valt een besluit in de vergunningsprocedure die hierover loopt.
Renovatie
Uit bovenstaande blijkt, dat er bij de verbouwing van de Koninklijke Schouwburg van restauratie in de enge zin van het woord geen sprake is. Het gaat hier toch vooral om een ingrijpende renovatie. Bepaalde onderdelen van het gebouw - de zaal, de gevel en het draaitoneel - blijven behouden, de rest wordt aangepast aan de behoeften van de eigen tijd. Hoe definitief en grondig de huidige opknapbeurt ook lijkt, over zestig jaar gaat de schouwburg waarschijnlijk weer onder het mes. Tot dan kan het theater er weer tegen aan.